Inleidend gebed: “Mijn God, wie bent U voor mij?”
1:2

“Iemand inroepen is hem binnen roepen. Is er dan een plek in mij waar God bij mij binnen kan komen?

Is er dan iets in mij, Heer mijn God, dat u omvatten kan?”

Augustinus, A. (2009), Belijdenissen, Budel: DAMON, boek 1: 2, p.39

 

Augustinus schrijft een aantal filosofische vragen over Gods aanwezigheid, God prijzen en wat eerst komt. Zo schrijft Augustinus (2009) de vraag ‘wat eerder is, u inroepen of u prijzen. … en of u kennen voorafgaat aan u inroepen?’

Moet je God kennen om hem in te kunnen roepen? Of kun je God binnen vragen in je hart zonder dat je hem kent? En kun je God prijzen als Hij nog niet binnen in je is gekomen, of moet je God eerst binnenroepen voor je hem kunt prijzen?

Augustinus geeft, op deze plek in de belijdenissen, geen antwoord op deze vragen. Hij stelt ze en laat ze in de lucht hangen. Hij vraagt zich nog wel af: “Maar hoe roep je iemand in waar je niet in gelooft?(Augustinus, A, Belijdenissen, 2009).

En is er een deur waardoor God naar binnen kan komen? God is zo groot dat Augustinus zich sterk afvraagt of er wel een plek is in ons lichaam waar God überhaupt binnen zou kunnen komen. Hierover nadenken bevestigd wel de kleinheid van ons als mens, vind ik. We spreken erover dat we God uitnodigen in ons hart, maar hoe zou hij daar nu in kunnen passen? Kunnen wij God wel omvatten?

De antwoorden op al deze vragen blijven open. Augustinus is een ware vragensteller in deze inleiding. Vragen die, als je ze leest, kunnen blijven hangen. Inderdaad zeg, hoe zit dat eigenlijk? Wat is er nu eerst? Wat was er eerst, het kip of het ei?

Augustinus vind uiteindelijk rust in de gedachte dat niets zonder God zou kunnen bestaan. We zouden niets zijn als God niet in ons zou zijn, of beter: als wij niet in God zijn (Augustinus, A., Belijdenissen, 2009). Als God in ons is dan is het ‘vraagstuk’ opgelost. God is in ons aanwezig, al vanaf onze geboorte. Het kennen en prijzen van God komt dan later.

Toch wringt er nog iets bij Augustinus, want het klopt, in zijn ogen, beter als God niet in ons is maar wij in God zijn. Want hoezo zouden wij God kunnen omvatten? Zo groot als Hij is! Als wij God niet kunnen omvatten dan kan hij dus ook niet ‘in ons passen’. Wij zouden dan dus in God zijn… Maar als wij in God zijn…, waar moeten we God dan naar toe roepen als we hem willen inroepen? En waar komt God dan vandaan als Hij bij ons binnenkomt (Augustinus, A., Belijdenissen, 2009)?

De vraag is dus: Omvat God ons (zijn wij in God) of omvatten wij God (is God in ons)? 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *